Even opfrissen

Bewijs bij het conditio sine qua non-verband

Welke leerstukken helpen ook alweer bij het vaststellen van het conditio sine qua non-verband?

Door Bob Leemhuis, advocaat bij Schakenraad Advocaten in Eindhoven.

Als een partij aansprakelijk is voor schade van een ander, dan ontstaat een betalingsverplichting ten aanzien van schade die in causaal verband staat met de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis. Voor het vaststellen van causaal verband dienen twee fasen te worden doorlopen. In de vestigingsfase, dient de benadeelde partij aan te tonen dat sprake is van het conditio sine qua non (csqn)-verband. Als de csqn-fase succesvol wordt doorlopen, dan volgt fase twee, de omvangsfase. In die fase dient de benadeelde aan te tonen dat de schade aan de gebeurtenis kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 Burgerlijk Wetboek (BW).

Voor het bewijs van het csqn-verband is geen honderd procent zekerheid vereist. Een redelijke mate van waarschijnlijkheid is voldoende. Als aan het vereiste van een redelijke mate van waarschijnlijkheid niet wordt voldaan, maar er wel een vermoeden van het csqn-verband bestaat, dan kan de omkeringsregel de benadeelde soms helpen. Die regel kan worden toegepast als een norm is geschonden die strekt tot bescherming tegen een specifiek gevaar, en aannemelijk wordt gemaakt dat juist dát specifieke gevaar zich heeft verwezenlijkt. In dergelijke gevallen wordt het csqn-verband in beginsel aangenomen, waarna het aan de aangesproken partij is om aannemelijk te maken dat er géén sprake is van een csqn-verband.

Als het csqn-verband niet eenduidig is vast te stellen en er geen ruimte is voor de omkeringsregel, dan kan het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid soms uitkomst bieden, zo oordeelde de Hoge Raad voor het eerst in 2006 (Nefalit/Karamus, ECLI:NL:HR:2006:AU6092).

Als proportionele aansprakelijkheid wordt aangenomen, dan ontstaat een verplichting tot schadevergoeding in evenredigheid met de in een percentage uitgedrukte kans dat sprake is van het csqn-verband. De Hoge Raad grondt de proportionele aansprakelijkheid op de aan de artikelen 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten.

Toepassing van proportionele aansprakelijkheid is een uitzondering op de regel dat pas aan artikel 6:98 BW wordt toegekomen zodra het csqn-verband vaststaat. Van deze uitzondering mag slechts terughoudend gebruik worden gemaakt, aldus de Hoge Raad. Bovendien dient toepassing ervan in overeenstemming te zijn met de aard van de normschending en de aard van de schade. Voor de billijkheidscorrectie is na toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen plaats meer. De proportionele aansprakelijkheid zelf is namelijk al op de redelijkheid en billijkheid gebaseerd.

De reden dat van de Hoge Raad terughoudend moet worden omgegaan met toepassing van de proportionele aansprakelijkheid is dat hij wil voorkomen dat partijen aansprakelijk worden gehouden voor (een deel van) de schade die zij mogelijk niet hebben veroorzaakt. Aan de andere kant heeft de Hoge Raad door het aannemen van proportionele aansprakelijkheid gemeend dat het evenzeer onwenselijk is dat de onzekerheid over het causaal verband geheel voor rekening van de benadeelde komt.

Tot slot wordt de proportionele aansprakelijkheid vaak in één adem genoemd met het leerstuk van de gemiste kans. Daarbij bestaat – anders dan bij proportionele aansprakelijkheid – geen onzekerheid ten aanzien van het csqn-verband, maar ten aanzien van de kans dat er schade is geleden. De leer van de gemiste kans wordt bijvoorbeeld toegepast in zaken waarin een advocaat een beroepstermijn laat lopen. In dergelijke zaken bestaat er een csqn-verband tussen de fout en de ontnomen kans op een beter resultaat. De vraag is vervolgens echter of het redden van de beroepstermijn daadwerkelijk zou hebben geleid tot een gunstiger uitkomst. Met andere woorden: is er wel schade geleden? Die vraag wordt volgens de leer van de gemiste kans procentueel benaderd. Voor toepassing van de leer van de gemiste kans is geen terughoudendheid geboden (Deloitte/H&H Beheer, ECLI:NL:HR:2012:BX7491).

Dit artikel is verschenen in het aprilnummer van het Advocatenblad. De hele editie is hier te lezen.

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor onze nieuwsbrief!