Opinie

skiongeval

Procederen: afwegingen bij skiongeval tussen Nederlanders in Oostenrijk

Nederlanders gaan graag op wintersportvakantie in Oostenrijk met als gevolg dat een skiongeval tussen Nederlanders ook regelmatig voorkomt. Leidt dit tot een geschil dan zijn zowel de Nederlandse rechter als de Oostenrijkse rechter bevoegd.[1]

Door Stephan Wijnkamp[2]

Hoewel het op het eerste gezicht voor de eiser verleidelijk is te kiezen voor de Nederlandse procedure ligt daar meteen ook het risico. De bewijslast ligt immers bij de eiser en de schuld aan het skiongeval is moeilijk te bewijzen omdat de piste en weersomstandigheden snel wijzigen en sporen meestal niet meer zichtbaar zijn. Bovendien gebeurt het ongeval in een fractie van een seconde, zodat getuigen en betrokkenen vaak na jaren niet precies de van belang zijnde feiten kunnen reproduceren. Daarbij komt nog dat de Nederlandse rechter niet bekend is met Oostenrijkse veiligheidsvoorschriften en de uitgebreide Oostenrijkse jurisprudentie daarvan.

Onderstaand worden overwegingen besproken voor de keuze procederen in Nederland of Oostenrijk. Ter illustratie van de problematiek wordt in het kort een praktijkgeval beschreven van een toevallig met de helmcamera gefilmd skiongeval tussen twee Nederlandse visueel gehandicapten. Ondanks aanwezig videobewijs kunnen toch bewijsproblemen optreden, die in het concrete geval door inschakeling van een Oostenrijkse skitechnisch deskundige werden opgelost.

Veiligheids- en gedragsregels artikel 17 Rome II

Bij een skiongeval tussen Nederlanders in Oostenrijk regelt het Verdrag Rome II naar welk materiele recht, Nederlands of Oostenrijks, de onrechtmatige daad beoordeeld moet worden.[3]
Op grond van artikel 17 van het Verdrag Rome II [4] wordt voor de schuldvraag aangeknoopt bij de veiligheidsregels en gedragsregels en de interpretatie daarvan in het land van het ongeval, Oostenrijk dus.[5] De schending van deze norm en de relevante feiten moeten door de eiser bewezen worden.

In Oostenrijk wordt deze norm bepaald door de FIS-regels,[6] maar er kunnen tevens andere veiligheidsregels zoals wetten voor skischolen en gemeenteverordeningen van toepassing zijn. Een schending van de norm betekent volgens Oostenrijks recht ook meteen aansprakelijkheid.

De Nederlandse rechter beoordeelt, zo blijkt uit de Nederlandse jurisprudentie[7], of een FIS-regel naar de letter van de regel geschonden is en past vervolgens de Nederlandse sport-en speljurisprudentie toe, dus zonder rekening te houden met buitenlandse jurisprudentie over de FIS-regels. Waarschijnlijk omdat dit door partijen in betreffende procedures ook niet aangevoerd was.

De FIS-regels bepalen de onderlinge gedragingen tussen pistegebruikers en daarmee ook hun onderlinge verwachtingen. Feitelijk is de Nederlandse sport en spel-jurisprudentie dus al geïncorporeerd in deze interpretatie van de FIS-regels. Een schending van een regel zou ook in Nederland dus automatisch tot aansprakelijkheid moeten leiden.

Past de Nederlandse rechter de FIS-regels door letterlijke interpretatie (verkeerd) en zonder rekening te houden met de achtergrond van de FIS-regels, toe dan is de kans aanwezig dat de vordering wordt afgewezen. Daarnaast is voor de beoordeling van de voor aansprakelijkheid relevante feiten, de oorzaak van het skiongeval, veel kennis en ervaring nodig.

De FIS-regel die bepaalt dat de van boven komende skiër moet uitkijken voor de zich onder hem bevindende skiër vindt bijvoorbeeld alleen toepassing bij skiongevallen waarbij beide skiërs in dezelfde richting skiën. Bij verschillende skirichtingen moet de beoordeling op een andere manier plaatsvinden. Een letterlijke interpretatie leidt dan dus tot een verkeerde conclusie. Bij dergelijke situaties moet bepaald worden of beide skiërs inderdaad vanuit twee richtingen gekomen zijn of dat de ene skiër zich nog in de laatste fase van de bocht bevond en toen vanachter werd geraakt. Maar op dat idee moet de rechter wel gebracht worden.

Vaak wordt bij de interpretatie van de feiten uitgegaan van het contactmoment van de skiërs, terwijl het er juist om gaat te beoordelen hoe betrokkenen de paar seconden voor de botsing, toen het vermijden ervan nog mogelijk was, hebben geskied.

De juiste beoordeling en hantering van juiste normen is voor het succes van de procedure doorslaggevend. Zo bleek dit al eens uit het arrest van het Hof Leeuwarden in 2012 waarbij het daardoor voor de eisende partij verkeerd afliep.[8] De advocaat van de bewijsplichtige eiser moet dus voordat besloten wordt te procederen de geschonden Oostenrijkse norm(en) bewust zijn en vervolgens weten welke skitechnische feiten hiervoor relevant zijn.

Ter illustratie van deze problematiek bespreek ik onderstaand een bijzondere procedure tussen diverse Nederlandse partijen. Gezien de gelimiteerde omvang van dit artikel moet ik mij helaas tot het voor dit onderwerp relevante beperken en is de bespreking zeker niet uitputtend.

Ongeval

De eiser, Jeroen, uit Nederland, was enkele jaren geleden voor circa 80% blind geworden. Omdat Jeroen voordat hij blind werd een fanatiek skiër was, boekte hij (voor de eerste maal) een door de Nederlandse skivereniging voor visueel gehandicapten georganiseerde skireis, waarbij hij verwachtte onder begeleiding van door de vereniging opgeleide skibegeleiders op de skipiste in Oostenrijk veilig te kunnen skiën.

Jeroen skiede met zijn begeleider op een rode piste. Op deze piste skiede ook X, een andere visueel gehandicapte Nederlandse deelnemer samen met zijn Nederlandse begeleider Y. Volgens instructie van de vereniging moesten begeleiders uit veiligheidsoverwegingen in paren afdalen. Jeroen skiede voor zijn begeleider uit. X en zijn begeleider skieden ongeveer 30 meter achter hen.

De begeleider Y had middels een helmcamera het ongeval opgenomen. Jeroen kwam op een deel van de piste waarbij zich rechts een steil stuk bevond. De begeleider van Jeroen omzeilde dit steile stuk om vervolgens gecontroleerd verder te skiën. De begeleider van X daarentegen koos ervoor om, niet het steile deel van de piste te omzeilen maar juist direct, in het steile deel te skiën. Daarbij gaf hij volgende aanwijzingen: “ het wordt hier een beetje steiler en naar rechts , een beetje door laten lopen…. laat maar doorlopen , dan werd het ongeveer 6 seconden stil……………, en ..na..”. Vervolgens boog X tijdens het woord “ na….”, met een voor een visueel gehandicapte zeer hoge, zoals later de deskundige verklaarde, te hoge, snelheid naar links af. X botste met zijn helm vooruit frontaal in het gezicht van Jeroen.

Door het ongeval werd Jeroen nagenoeg geheel blind. Jeroen vorderde van de Vereniging en de dader X schadevergoeding op grond van de reisovereenkomst en onrechtmatige daad.

De Vereniging wees de aansprakelijkheid af met als argumenten dat door de begeleider geen fouten zijn gemaakt en dat visueel gehandicapten bij het skiën meer risico lopen. De Vereniging en de dader X beriepen zich op de Nederlandse sport-en spel jurisprudentie en betoogden dat de FIS-regels buiten toepassing moesten blijven.

Afwegingen

Ten opzichte van de Nederlandse rechtsgang heeft de Oostenrijkse procedure het voordeel dat de handelswijze van X en zijn begeleider, de causaliteit tussen normschendingen en schade door een skitechisch deskundige die door de rechtbank (als “hulprechter” en niet als getuige -deskundige) wordt ingeschakeld, wordt beoordeeld.

De bewijskracht van het deskundigenrapport is zodanig groot, dat de rechtbank vrijwel altijd de conclusies de deskundige overneemt. De deskundige reconstrueert normaliter het ongeval samen met getuigen en partijen op de piste. Soms is de rechter daarbij ook aanwezig. Belangrijke vragen zoals, of X gezien de omstandigheden te snel was, of de gekozen route technisch gezien gevaarlijk was, of de opleiding van Y voldoende was, de beoordeling van skitechnische vaardigheid van de betrokkenen, de mogelijkheid het ongeval te kunnen vermijden etc. wordt door de Oostenrijkse deskundige beoordeeld.

In Nederlandse procedures wordt meestal uitgegaan van getuigenverklaringen. Getuigen kunnen echter geen vakkundige beoordeling geven over de skitechnische vaardigheden en dus ook niet of iemand daardoor ongecontroleerd of te snel skiede.

In deze zaak was het ongeval op video opgenomen. Desondanks moeten de op de video zichtbare feiten moeten nog wel door de rechtbank correct geïnterpreteerd worden. Juist deze interpretatie is lastig en vergt skitechnisch deskundigheid en ervaring.

Om te weten welke feiten van belang zijn en welke vraagstellingen de deskundige dient te beantwoorden dient vooraf al duidelijk te zijn welke Oostenrijkse normen geschonden kunnen zijn. In dit geval waren de toepasselijke normen het Salzburger Schischule Gesetz en de FIS-regels.

Hetgeen op de videofilm is te zien werd, voordat besloten werd in Oostenrijk te procederen, getoetst aan de relevante Oostenrijkse normen, zoals opleidingseisen van begeleiders, FIS-regels, wijze van begeleiding, te kiezen route en bewijspositie. Vervolgens is, na ook een skitechnische beoordeling, de afweging gemaakt in Oostenrijk te procederen, omdat daar het bewijs voor de stellingen middels de deskundige eenvoudiger te leveren is.

Bewijs

De Vereniging maakte gebruik van vrijwilligers die geen skilerarenopleiding hadden genoten. Het noodzakelijke opleidingsniveau voor skibegeleiders volgens het Salzburger Schischule Gesetz is die van tenminste een Landesschilehrer.[9] De deskundige heeft uiteindelijk bepaald dat een gediplomeerd skileraar, X, toen X zich eenmaal in het steile stuk bevond, wel op een veilige wijze door het steile stuk had kunnen leiden.

Verder bekritiseerde de deskundige de door begeleider Y gekozen route door het steile deel van de piste. De mededeelnemer X had daardoor te veel snelheid gekregen, hetgeen causaal was voor het ongeval. Ook de (niet of te weinig) gegeven commando`s waren te bekritiseren. X bleek daardoor zelfs überhaupt niet naar het laatste commando geluisterd te hebben. Dit was natuurlijk ook X aan te rekenen.

De deelnemer X, hoewel visueel gehandicapt, heeft daardoor niet zoals de FIS-regels, bij juiste interpretatie daarvan voorschrijven, “op zicht” geskied en skiede bovendien te snel.

In deze zaak was tevens sprake van een reisovereenkomst. De schending van de (verwachtingen van de eiser uit de) overeenkomst is mede gerelateerd aan de schending van genoemde normen, zoals opleidingseisen en daarmee verband houdende (niet) aanwezige vaardigheden, die uiteraard causaal voor het ongeval moeten zijn. De deskundige stelde dit ter zitting dan ook vast.

Proceskostenvergoeding

Een bijkomende afweging is de proceskostenvergoeding. Wordt een Oostenrijkse procedure gewonnen dan dienen alle proceskosten, ook de werkelijke advocaatkosten, door de verliezer van de procedure vergoed te worden.

Slot

Zou ervoor gekozen zijn deze kwestie de Nederlandse rechtbank voor te leggen dan zou, om aan de bewijsplicht te kunnen voldoen, een Oostenrijks skitechnisch deskundigenbericht in de procedure gebracht moeten worden. Deze heeft echter niet dezelfde bewijskracht als die bij de Oostenrijkse procedure. Daarbij zou de Oostenrijkse deskundige ook bij de comparitie aanwezig moeten zijn, waarbij de niet te onderschatten taalbarrière ook een rol bij de afwegingen heeft gespeeld.

Het is uiteraard niet zo dat het in alle gevallen raadzaam is om in Oostenrijk te procederen. Elk geval dient zorgvuldig afgewogen te worden met inachtneming van de buitenlandse normen en bewijslast waaraan voldaan moet worden. Daarbij dienen ook de gebruiken en denkwijze van Oostenrijkse rechters (die wezenlijk kan verschillen van de Nederlandse) te worden meegenomen.


VOETNOTEN

[1] Verdrag Brussel Ia Verordening(EU) NR.1215/2012 Artikel 4 lid 1 en artikel 7 lid 2.
[2] Mr.Stephan Wijnkamp is als Rechtsanwalt ingeschreven bij de balie in Innsbruck, Oostenrijk en gespecialiseerd in letselschade bij ski- en bersportongevallen. Tot 2014 was hij tevens als advocaat ingeschreven bij de balie in Breda. Hij is tevens Tiroler Landesskilehrer, gediplomeerd bergredder bij de Bergrettung in Tirol en als juridisch expert verbonden aan het Kuratorium für Alpine Sicherheit in Oostenrijk.
[3] Zie het artikel Een Skiongeval in Oostenrijk; wat nu? gepubliceerd in Letsel & Schade 2013 nr.4 waarin wordt betoogd dat Oostenrijks recht gebaseerd op artikel 4 lid 3 Rome II op een skiongeval tussen twee Nederlanders van toepassing is.
[4] Verordening Nr. 864/2007 artikel 17: Bij de beoordeling van het gedrag van de persoon wiens aansprakelijkheid in het geding is, moet feitelijk en in passende mate rekening worden gehouden met de veiligheidsvoorschriften en gedragsregels die van kracht zijn op het tijdstip en de plaats van de gebeurtenis welke de aansprakelijkheid veroorzaakt.
[5] Zie het artikel Een Skiongeval in Oostenrijk; wat nu? gepubliceerd in Letsel & Schade 2013 nr.4
[6] Gedragsregels/veiligheidsregels voor pistengebruikers opgesteld door de Féderation Internationale de Ski opgesteld ter voorkoming van ongevallen op de piste.
[7] Hof leeuwarden 26 juni 2012, ECLI:GHLEE:2012:BW9768
[8] Hof leeuwarden 26 juni 2012, ECLI:GHLEE:2012:BW9768
[9] De meeste Oostenrijkse skileraren hebben de lagere opleiding als Anwärter gevolgd. Aan de skitechnische vaardigheid voor deze Anwärter worden in tegenstelling tot die van Landesskileherer of Staatlich geprüfte Schilehrer geen hoge eisen gesteld.

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor onze nieuwsbrief!