Columns

Bayesiaanse statistiek

Kerstoverdenking

Een rechtsstaat in stand houden, vergt moed. Professor Paul Cliteur – God’s gift to demo­cracy – zet met zijn recente artikel in het Nederlands Juristenblad (NJB 2017|1458) juist zélf de bijl aan de wortels van de rechtsstaat.

De Leidse rechtsgeleerde wil diverse wetten aanscherpen om bijvoorbeeld bepaalde imams de toegang te ontzeggen of sommige bijeenkomsten van Eritrese oproerkraaiers a priori te verbieden. Censuur in belang der rechtsstaat en democratie. In Cliteurs optiek is het ‘vooral in deze tijd’ naïef om te denken dat de rechtsstaat het gemakkelijk ‘wint’ van autocratieën, dictaturen en theo­cratieën. O?

De hoogleraren Jan Brouwer en Jon Schilder wijzen Cliteur in hetzelfde NJB op de gevaren van censuur en de democratische paradox die Cliteur oproept (NJB|2184). In een naschrift komt de geestelijk vader van het Forum voor ­Democratie niet verder dan beide auteurs van linkse naïviteit te betichten als het gaat om het salafisme (NJB|2185). ‘Kijk liever naar Raqqa, dan naar Rijssen,’ fulmineert hij. En ‘de tijd zal zijn mijn gelijk bewijzen’. Zijn geliefde Forum voor Democratie drinkt met volle teugen uit deze Leidse bokaal van wijsheid en formuleerde een heuse Wet Bescherming Nederlandse Waarden (WBNW), hetgeen een anagram is voor ‘Moslims moeten klompendansende dansmariekes worden’.

Het wereldbeeld van Cliteur hebben we vaker gezien. Het doet denken aan die Amerikaanse generaal in de film Full Metal Jacket die tegen een journalist roept ‘Listen son. In every Vietnamese hides a little American, just trying to get out’. Als napalm niet werkt, zal de WBNW dat ook niet doen. Historische paralellen zijn voor Cliteur belangrijk, al jokt hij daar in zijn artikel wel een beetje over.

Repressieve wetgeving ter bescherming van de democratie en rechtsstaat is namelijk volgens Cliteur al decennia geleden overwogen. De Amsterdamse hoogleraar staatsrecht G. van den Bergh bepleitte in 1936 dat een democratie niet vanzelfsprekend ruimte hoeft te bieden aan antidemocratische partijen. Cliteur vergeet gemakshalve te melden dat verreweg de meeste rechtsgeleerden en politici rond 1936 de overheersende opinie hadden dat het stellen van verboden een aberratie in de parlementaire democratie was (zie bijvoorbeeld de notulen van de Commissie Onderzoek Herziening Staatsbestel 1936). Nota bene in de zomer van 1940 (sic!) stelde de Commissie Wijziging Staatsbestel dat verboden de eerste middelen waren die door dictatoriale regimes zoals in Duitsland en Rusland werden toegepast. Uitsluiting van partijen en groepen was ‘principieel ontoelaatbaar, ondoelmatig, niet-Nederlands en veel te veel geïnspireerd op voorbijgaande verschijnselen’. Uitsluiting betekende dat extremistische partijen in de illegaliteit zouden verdwijnen waardoor nauwelijks controle mogelijk was. In geen geval mocht onder invloed van ‘extremistische schreeuwers’ en van ‘tijdelijke moeilijkheden’, een staatkundige hervorming worden ingevoerd die principieel niet verantwoord zou zijn. Splinterpartijvorming kon overigens het best worden voorkomen door het kiezen van volksvertegenwoordigers die van voldoende intellectueel niveau en van hoogstaande moraliteit waren.

Kerstoverdenking voor tijdens uw jaarlijkse Festen met de (schoon)familie. Wie is eigenlijk gevaarlijker voor de rechtsstaat: een salafistische haat­imam of een verwarde hoogleraar met een zekere politieke invloed?

Deze column is ook verschenen in het Advocatenblad van december 2017. De hele editie is hier te lezen.

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor onze nieuwsbrief!