Opinie

ondoordacht plan

Plan voor uitbreiding voorlopige hechtenis weinig doordacht

Deelname aan georganiseerde criminaliteit moet een aparte grond worden voor voorlopige hechtenis, stellen de regioburgemeesters. Maar dit is een ondoordacht plan: het past niet in het huidige systeem, zegt strafrechtadvocaat Robbert Jonk.

Door / Robbert Jonk

De nieuwste wens van bestuurders in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit was in januari aanleiding voor een bericht op advocatenblad.nl: ‘Regioburgemeesters dringen aan op verruiming voorlopige hechtenis’.

Deelname aan georganiseerde criminaliteit moet een grond worden voor voorlopige hechtenis, stellen de regioburgemeesters voor. Die deelname is  volgens hen een dermate ernstige inbreuk op de integriteit van de maatschappij dat het een aparte reden voor voorlopige hechtenis zou moeten zijn.

De bestrijding van criminaliteit en zeker de criminaliteit die een ernstige inbreuk op de integriteit van de maatschappij maakt (kennelijk zijn daar gradaties in), is vanuit maatschappelijk oogpunt uiteraard een belangrijk streven. Niet voor niets meldt het bericht van het Advocatenblad ook dat minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid binnenkort met een voorstel voor een speciale wet komt ter bestrijding van activiteiten van criminele groepen en hun ondermijnende activiteiten. Dat werpt echter wel de vraag op waarom de burgemeesters nu komen met het voorstel om een aparte grond voor voorlopige hechtenis in het leven te roepen voor feiten gepleegd in een georganiseerd crimineel verband. En laat dit zich wel inpassen in het huidige systeem van voorlopige hechtenis?

Systeem

Het voorstel draagt de gedachte in zich dat er in het huidige wettelijk systeem onvoldoende mogelijkheden zouden zijn om verdachten van strafbare feiten gepleegd in georganiseerd verband in voorlopige hechtenis te nemen. En bovendien dat verdachten van dergelijke feiten makkelijker (en langer) in voorlopige hechtenis zullen blijven als de voorgestelde grond wordt toegevoegd. Om met het laatste te beginnen: uiteindelijk bepaalt de rechter hoe lang iemand in voorlopige hechtenis zit. Hoe veel gronden er ook worden toegevoegd aan het Wetboek van Strafvordering, het laatste woord is aan de rechter en daar zullen de burgemeesters naar ik aanneem niet aan willen tornen.

De vraag is daarmee of er op dit moment onvoldoende gronden bestaan voor het toepassen van voorlopige hechtenis voor personen die in georganiseerd verband strafbare feiten plegen. Een stelling die bij mijn weten niet door het OM of de rechterlijke macht wordt onderschreven. Daar waar de burgemeesters spreken over een georganiseerd verband gaat het, blijkens het artikel in het Advocatenblad, niet specifiek om verdenking van 140 Wetboek van Strafrecht (Sr). Dat zou ook niet in het wettelijk systeem passen. Ernstige bezwaren en gronden gaan zich dan immers vermengen. Bij elke verdenking van 140 Sr waarvoor ernstige bezwaren bestaan, zou dan direct een grond voor voorlopige hechtenis aanwezig zijn in de vorm van die verdenking. Het wettelijk systeem eist nu juist, naast de ernstige bezwaren die zien op de voorfase van het bewijs, een grond in de vorm van een goede reden om iemand in hechtenis te nemen terwijl hij nog niet is veroordeeld voor dat feit en dus voor onschuldig moet worden gehouden.

Die grond zou dan dus moeten bestaan uit het in georganiseerd verband plegen van strafbare feiten, terwijl dat niet een verdenking van 140 Sr oplevert. Het Wetboek van Strafrecht kent geen deelnemingsvorm die aan deze omschrijving voldoet. Wel de deelnemingsvorm medeplegen, die in veel gevallen bovendien een strafverhogend effect heeft. Gaat de samenwerking verder, dan kan een verdenking ontstaan van deelname aan een criminele organisatie. Maar op een dergelijke verdenking hebben de burgemeesters het als gezegd niet voorzien. Het gaat dus om verdenking van medeplegen van strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. De gedachte lijkt te zijn dat als die feiten in een georganiseerd verband gepleegd worden, sneller sprake zal zijn van recidive. Maar daarvoor bestaat al een grond, namelijk de recidivegrond. En die kan inderdaad door rechters worden aangenomen vanwege het in (vermeend) georganiseerd verband plegen van feiten. Hoe het georganiseerd verband moet worden geduid door de rechter, wanneer daar sprake van is en hoe dat in een grond in plaats van de ernstige bezwaren moet worden beoordeeld is volstrekt onduidelijk en systematisch ook moeilijk voorstelbaar.

Geschokte rechtsorde

De verwijzing naar de ernstige inbreuk op de maatschappelijke integriteit die feiten in een georganiseerd verband gepleegd zouden maken, heeft ook een element dat terugkomt in een andere al bestaande grond: de geschokte rechtsorde. Ook die grond bestaat al en kan, indien het al dan niet in georganiseerd verband gepleegde gronddelict ernstig genoeg is, worden toegepast. Opvallend genoeg is dit niet het geval bij een verdenking van deelname aan een criminele organisatie nu de maximale straf bij artikel 140 Sr zes jaar bedraagt. De wetgever heeft het (verder) georganiseerde verband van 140 Sr dus niet voldoende ernstige geacht om dit onder het bereik van de geschokte rechtsorde te brengen.

De burgemeesters vermelden in het voorstel ook dat het zou gaan om verdachten die geen legale inkomsten hebben, rondrijden in huurauto’s en financiële afschermconstructies gebruiken. Voor dergelijke verdachten bestaat een vermoeden van deelname aan georganiseerde criminaliteit en die zouden langer in voorlopige hechtenis moeten worden gehouden. Waarom hier een verdenking uit voortvloeit en ter zake van welk feit dan wordt niet vermeld. En dat is wel nodig. Het gaat immers niet om de verdenking van deelname aan een criminele organisatie in de zin van 140 Sr op zich. Er moet sprake zijn van een ander strafbaar feit dat in georganiseerd verband wordt gepleegd. In het vervolg maken de burgemeesters opmerkingen over het verder versterken van de positie van het OM in ontnemingsprocedures. Door de verwijzing naar legale inkomsten, financiële afschermconstructies en huurauto’s, lijken ernstige bezwaren en gronden weer door elkaar te gaan lopen en gaan de burgemeesters op de stoel van de rechter zitten.

Duidelijk is dat de burgemeesters in hun maag zitten met de kennelijk bestaande georganiseerde vormen van criminaliteit. Het is mede hun taak die, uitgaande van het bestaan ervan, te bestrijden, althans vanuit de optiek van openbare orde. Het lijkt echter, na het afpakken van dure jassen en horloges in Rotterdam, een weinig doordacht plan dat uit het oog verliest dat we een uitgebalanceerd systeem van voorlopige hechtenis hebben dat moet voorkomen dat burgers al te lichtvaardig in voorlopige hechtenis worden genomen.

Robbert Jonk is advocaat bij Cleerdin & Hamer Advocaten in Almere.

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor onze nieuwsbrief!