Artikelen

boetiek

Exclusieve advocatenshops 

De boetiek wordt een populaire vorm voor jonge, kleine advocatenkantoren. ‘Zuidaskwaliteit voor een schappelijke prijs. 

Door / Michel Knapen 

Het persbericht dat Bond Advocaten (Amsterdam) eind januari de wereld instuurde, was niet uniek in zijn soort. Het kantoor presenteert zich nadrukkelijk als een boetiekkantoor (op het terrein van financieringen en zekerheden), en boetiekkantoren, daar zijn er steeds meer van. Waarom kiezen advocaten vaker voor deze vorm? 

De eerste boetieks openen eind jaren negentig in Nederland hun deuren. Senior consultant Maarten de Haas van advieskantoor RvdB noemt het IE-kantoor dat tegenwoordig Klos Morel Vos & Reeskamp heet als één van de eerste. ‘Intellectuele eigendom is nog steeds een populair rechtsgebied voor een boetiek, maar hierbinnen zijn ze verder gespecialiseerd: media, entertainment, octrooi, auteursrechten, merkenrechten.’ Familierechtboetieks (SmeetsGijbels) en arbeidsrechtboetieks (Boontje) kwamen op in de jaren nul van de eenentwinigste eeuw. Vervolgens ontstonden corporate boetieks zoals Brinkhof en Stek. Nog later dienden zich boetieks aan die zich verder specialiseerden in M&A, mededinging, handelsrecht en corporate litigation. 

Robert van Beemen, partner bij Venturis Consulting Group, ziet vooral boetieks in de sectoren technologie, media en telecommunicatie, en noemt daarbij SOLV, Boeckx en Project Moore. Maar ook Vondst en Hoyng Rokh Monegier (IE) en Van Campen Liem (corporate, M&A). ‘Ze zijn hooggespecialiseerd, wat je ook ziet in hun klantportfolio: topcliënten, voor wie ze strategisch werk doen.’ 

Een boetiekkantoor is net wat anders dan een nichekantoor, legt De Haas uit. Boetieks hebben doorgaans één specialisatie en zijn wat kleiner. Grote boetieks zijn er niet, wel grote nichekantoren. 

Volgens Van Beemen bepaalt vooral het type cliënt, het type werk of het deel van een markt dat wordt bediend of een kantoor een boetiek is. Een eenpitter, ook al is deze gespecialiseerd in één rechtsgebied, kan zichzelf wel boetiek noemen maar is het daarmee nog niet. ‘Dan zou half Nederland vol staan met boetieks, wat zou leiden tot inflatie van het boetiekbegrip,’ zegt Van Beemen. Behoort een zzp-advocaat niet tot de top, dan is er geen sprake van boetiek. 

Maar een echte afbakening is er niet. Het woord ‘boetiek’ klinkt lekker snel, hip en modern – volgens Van Dale is het een ‘exclusieve, kleine winkel’. Het heeft, zegt Van Beemen, een ‘premium’-connotatie, het staat voor kwaliteit. ‘Het geeft een identiteit weer en wordt dus volop in de marketing gebruikt.’ 

Omzetdruk 

Het ontstaan van boetiekkantoren kan het best worden verklaard vanuit de grote kantoren. Hun advocaten waren niet altijd happy en zochten een alternatief. ‘Met hun praktijk voelden ze zich niet thuis bij de grote kantoren,’ zegt De Haas. ‘Het gewenste verdienmodel konden ze niet halen, familie en arbeid brachten te weinig op. Door omzetdruk verdwenen ze uit de grote kantoren.’ Maar soms wilden ze zelf weg. Partners die geen zin meer hadden in het grote kantoren-gedoe, medewerkers die te weinig perspectief hadden om partner te worden – een goede mix om voor jezelf te beginnen. ‘Soms wilde het kantoor van je af, soms wilde je van het kantoor af,’ vat De Haas samen. 

Ook Van Beemen zoekt een verklaring voor de opkomst van de boetieks in onder meer de druk op de tarieven. ‘Een deel van de boetieks komt voort uit grote kantoren waar het steeds moeilijker wordt om aan de performance-eisen te voldoen. De grote Zuidas-kantoren focussen op high-end cliënten en high-end werk. De minder strategische praktijken, zoals arbeidsrecht, kunnen de daarbij behorende tarieven van vijfhonderd euro per uur, anders dan hun corporate en M&A-collega’s, niet bij hun cliënten in rekening brengen. 

Maar boetieks ontstonden ook door een veranderende vraag, vult De Haas aan: ‘One stop shopping, voor zover dat ooit heeft bestaan, werd in de jaren negentig steeds meer verlaten. Klanten zochten gewoon een goede advocaat voor hun zaak en het maakte voor hen niet zoveel als een kantoor ook andere rechtsgebieden aanbood.’ Dat bood ruimte voor boetiekkantoren. 

Bas Kodden, directeur van het Executive MBA aan Nyenrode Business Universiteit verwijst naar het begrip ‘zelfeffectiviteit’ als verklaring waarom veel advocaten voor zichzelf beginnen. ‘Jonge en middelbare advocaten willen hun eigen, unieke talenten kunnen ontwikkelen. Ze zoeken daarbij naar meer zingeving en autonomie, wat ze in het grote kantoor veelal missen. Door informatietechnologie en sociale media kán ook iedere advocaat veel makkelijker een eigen kantoor beginnen. Jezelf als expert profileren en klanten bereiken is veel makkelijker geworden.’ Kodden wijst verder op de verschuiving van employer branding – de goede naam van je kantoor stond al garant voor cliënten – naar employee branding: jóúw naam bepaalt of je snel een klantenbestand kunt opzetten. 

Zelfeffectiviteit 

Volgens Kodden is zelfeffectiviteit tegenwoordig een van de belangrijkste componenten van duurzaam presteren en tevens belangrijk of iemand in staat is zelfstandig een praktijk te ontwikkelen. Bij de grotere kantoren krijgt zelfeffectiviteit – de nummer één determinant uit zijn onderzoek naar duurzaam presteren – te weinig aandacht, zo stelt hij. ‘Advocaten worden vaak als gelijken behandeld maar ze zijn niet gelijk. Iedereen heeft unieke talenten, voorkeuren en leercurves. Vooral millennials doen vaak naar hun eigen beleving te simpel werk, waardoor een bore-out dreigt. Ik kan zoveel maar ik mag zo weinig. Ze voelen zich als een pion op het schaakbord van een ander en ervaren steeds minder feeling met hun kantoor.’ Dan is er voor sommigen maar één uitweg: een eigen kantoor starten. 

Dat zou voor vrouwen net zo moeten gelden als voor mannen, maar het lijkt erop dat er meer mannen- dan vrouwenboetieks zijn. Van Beemen zegt daar geen statistisch onderzoek naar te hebben gedaan. ‘De meeste advocaten beginnen een boetiek als ze zo’n tien, vijftien jaar bij de balie zitten. Dan zijn ze vaak toe aan iets nieuws,’ zegt hij. Mannen gaan dan verder in een boetiek, vrouwen zijn iets eerder geneigd voor de jonge kinderen te kiezen. Dat kan verklaren waarom er minder vrouwen een boetiek starten dan mannen. 

Kodden haalt de vakliteratuur erbij en constateert dat de advocatuur als sector het hoogst scoort op ‘compulsieve passie’. Harmonieuze passie is bevlogenheid, compulsieve passie is het tegenovergestelde, de constante druk die iemand voelt waardoor hij het werk steeds minder interessant gaat vinden. ‘Het gevoel alsof je een hamster in een draaiend wiel bent: je blijft hard lopen, maar je komt voor je gevoel niet verder. Wie toch doorgaat loopt een kans tegen een burn-out aan te lopen. Je valt helemaal stil. Om dat voor te zijn, zoeken veel advocaten naar meer autonomie, naar ruimte om eigen talenten te ontwikkelen en beginnen bijvoorbeeld een eigen boetiek.’ 


Boys in boutiques
Nieuwe boetiekkantoren volgen elkaar in rap tempo op. Op 1 februari startte Bond Advocaten (drie mannen die zich richten op financiering en zekerheden) en ook Kemperink Maarschalkerweerd Advocaten (twee mannen met een focus op M&A en corporate litigation). Beide kantoren zijn gevestigd in Amsterdam en noemen zich nadrukkelijk een ‘boutique’. 

Het jongste boetiekkantoor is Watson Law, sinds 1 maart gevestigd in Eindhoven. De drie advocaten – Maarten van Ingen, Willem-Jan Smits en Camiel Vermeulen – zijn afkomstig van Holla Advocaten. 

Watson Law voldoet aan de klassieke kenmerken van een boetiekkantoor. Een duidelijke focus, in dit geval op de juridische aspecten van blockchain, artificial intelligence, machine learning en andere vormen van new tech. Een kleine organisatie met korte lijnen. Hoogwaardige en gespecialiseerde kennis. Lol hebben om een eigen kantoor op te zetten. Zin om zelf te ondernemen. 

Bij Holla was het prima, zeggen ze. Maar het begon toch te kriebelen. ‘Een groot kantoor is nu eenmaal minder slagvaardig en flexibel. Als wij drieën iets besluiten, voeren we het direct uit,’ zegt Smits. Dit jaar nog willen ze een of twee advocaat-stagiairs aannemen, is het plan. Want: werk genoeg. Nieuwe opdrachten die ze zelf binnenhalen en de bestaande praktijk die ze hebben meegenomen van hun vorige kantoor. ‘We zijn dus geen klassieke start-up met een lege portefeuille,’ zegt Van Ingen. 

Ze erkennen ook de risico’s van een kleine boetiek: er is niet altijd voldoende capaciteit om grote klussen aan te nemen. ‘Daarover hebben we ook nagedacht,’ zegt Vermeulen. ‘Wij hebben genoeg advocaten in onze flexibele schil met wie wij samenwerken en wij zitten omgekeerd ook in die flexibele schil. Kwestie van collegiaal besef.’ 


Financieel gezond 

De boetieks doen het over het algemeen niet slecht. ‘Hoewel we niet naar de bankrekeningen kunnen kijken,’ zegt Van Beemen, ‘zijn de meeste boetieks financieel gezond. Wel is het zo dat de winstdelen per partner over het algemeen lager liggen dan bij de grotere kantoren, maar dat komt onder meer omdat ze een ander verdienmodel hebben, met lagere uurtarieven en minder leverage – aantal medewerkers per partner – wat direct ook een van de succesfactoren is, net als de focus op kwaliteit. Boetieks leveren doorgaans Zuidas-kwaliteit tegen een schappelijke prijs.’ 

Dat betekent niet dat boetiekadvocaten meer zijn gaan verdienen, zegt De Haas, wel dat ze meer lol in het werk hebben. Ze kunnen klanten bedienen zoals die klanten het willen en zoals de advocaten het zelf willen. ‘Familierecht bij Zuidas-kantoren, dat werkt niet. Komt een echtpaar dat in scheiding ligt in zo’n enorme hal, dan voelen ze zich verloren. Boetieks kunnen daar beter op inspelen.’ 

Als een boetiek niet slaagt, dan ligt dat aan gebrekkig ondernemerschap, te weinig werk – dus een slechte inschatting van de markt of niet de juiste netwerken aangeboord. Of er blijkt toch geen chemie tussen de eens zo enthousiaste collega’s. Van Beemen: ‘Ondernemend ingestelde advocaten, die eerst bij een groot kantoor werkten, moeten plots ondernemen. Zelf cliënten binnenhalen, zonder ondersteuning van afdelingen ICT, administratie of marketing. Niet makkelijk.’ Volgens De Haas hebben sterke boetieks altijd een duidelijk beeld hoe te werken. ‘Dat is de succesfactor.’ 

Kodden ziet ook andere risico’s. Nu niet het grote kantoor maar de boetiekhouders zelf voor klanten moeten zorgen – binnenhalen én binnen houden – wordt de werkdruk niet minder. ‘Maar ze ervaren wel meer vrijheid, wat die druk gevoelsmatig compenseert. Een burn-out dreigt echter evenzeer: nu moeten ze nieuwe vaardigheden aanleren om het kantoor draaiende te houden. Ze willen graag ruimte om te ondernemen, maar daarmee bén je nog geen ondernemer. Over druk gesproken: de levensduur van bedrijven is de afgelopen vijftien jaar met maar liefst tachtig procent afgenomen. Ook in de advocatuur loopt de levensduur van kantoren sterk terug.’ Ook wijst Kodden er op dat investeren in kennis bij grote kantoren veel makkelijker gaat dan bij boetieks. ‘De boetieks kunnen dan zelfs op achterstand komen als trainingen te duur of te tijdrovend voor hen blijken.’ 

Bedreiging 

Degene die het wel redden, vormen volgens Van Beemen geen al te grote bedreiging voor grote kantoren. ‘Het zal best weleens voorkomen dat De Brauw een pitch verliest van DeBreij (M&A, zeventien advocaten) maar grote kantoren kunnen beter gebruikmaken van een flexibele schil en juist in die schil zitten ook de boetieks. Ze vullen elkaar eerder aan dan dat ze elkaar bijten.’ Volgens Van Beemen heeft vooral de middengroep het meest te duchten van boetieks. ‘De tarieven zijn vergelijkbaar, maar boetieks bieden doorgaans betere kwaliteit én ze hebben de reputatie écht gespecialiseerd te zijn. Midmarket kantoren zouden, onder druk van de boetieks, duidelijkere strategische keuzes moeten maken.’ 

Ook De Haas denkt dat de Zuidas niet veel last heeft van boetieks. ‘Daar houden ze hun grote klanten toch wel vast. Bij grote zaken zijn ze in staat veel capaciteit vrij te maken en dat kunnen de kleine boetieks niet. Beide bedienen een eigen segment, ze lopen elkaar niet te veel voor de voet. Wel dwingt het grote kantoren scherper te zijn in wat ze wel en niet doen. Als ze álles willen doen, krijgen ze mogelijk last van de boetieks. Dat geldt vooral voor middelgrote kantoren buiten de Randstad. Als je daar arbeidsrecht doet, naast veel andere rechtsgebieden, dan moet je concurreren met boetieks.’ 

En dan is er nog een ‘dreiging’ (of kans) voor boetieks: opgegeten worden. Volgens Van Beemen komen boetieks steeds vaker in het vizier van grote internationale kantoren die in Nederland vaste grond onder de voet willen krijgen. Dan is het afgelopen met het boetiekje. Een andere strategische uitdaging voor boetiekkantoren is de succession planning, het voortbestaan op de lange termijn als de founding fathers en mothers eruit stappen. 

Wie echt goed voor de dag wil komen, moet van zijn boetiek een sectorkantoor maken. Van Beemen: ‘Dat zie je al bij technologie, media en telecommunicatie, life sciences en real estate. Wij zien een trend waarbij vooral sectorboetieks een full service strategie binnen hun sector nastreven. Bij real estate zou je dan bijvoorbeeld ook vastgoednotarissen en fiscalisten in dienst hebben. Dan krijg je sterke sectorboetieks.’ 


Dit artikel is verschenen in Advocatenblad 2018-03. De hele editie is hier te bekijken. 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor onze nieuwsbrief!