Ter zitting

Psychose

Poging tot doodslag of niet? De verdachte zelf vindt de beelden van het handgemeen schokkend en zou zoiets nooit doen.

Helder en rustig spreekt hij, meneer B. Wie hem zo hoort, voor de meervoudige kamer in Amsterdam, kan zich nauwelijks voorstellen dat dit dezelfde man is die op 25 januari schuimbekkend op het perron van metrohalte De Boelelaan stond. Eerst pakte hij daar een vrouw hardhandig beet, en samen met een man die haar probeerde te ontzetten belandde hij vlak daarna op het tramspoor. Het slachtoffer brak daarbij zijn pols, en nu verwijt het OM meneer B. poging tot doodslag.

Zelf weet hij er niks meer van, zegt hij. Hij weet nog dat hij op het Leidseplein in lijn 5 stapte. Zijn eerstvolgende herinnering is dat een motoragent hem aanhield. Daar tussenin is alles weg. ‘Van mijn advocaat heb ik de beelden te zien gekregen dat ik zelf op het spoor zit’, zegt hij. ‘Daar ben ik erg van geschrokken. Heel schokkend. Ik zou zelf nooit zo’n strafbaar feit begaan.’

Misschien was het allemaal niet zo wrang geweest als het niet diezelfde meneer B. was geweest die tussen 2002 en 2007 onterecht vastzat voor de moord op zijn vader. Na door de rechtbank en het hof in Amsterdam te zijn veroordeeld tot twaalf en elf jaar, verwees de Hoge Raad zijn zaak terug naar het Hof Den Haag. Dat sprak hem vrij.

In zijn jaren achter de tralies kreeg meneer B. last van psychoses. Na zijn vrijlating verbleef hij geregeld in een kliniek, steeds een paar weken, tot zijn toestand weer stabiliseerde. Hij onderging traumatherapie, kreeg een eigen huis en zelfs een baan. Maar eind 2015, nadat zijn medicatie naar beneden was bijgesteld, ging het slechter, met als dieptepunt de vechtpartij op het perron.

De psychiater heeft vastgesteld dat B. op dat moment hoogstwaarschijnlijk psychotisch was. De kans op herhaling schat hij matig tot hoog, en hij noemt de verdachte in zijn rapport verminderd toerekeningsvatbaar.

‘Dat betekent dat het feit u maar voor een deel kan worden toegerekend,’ zegt de voorzitter van de rechtbank. ‘Maar als u zich niets kunt herinneren, dan moet dat wel een gekke conclusie voor u zijn.’

Dat lijkt aan meneer B. voorbij te gaan. ‘Ik vind het onterecht dat ik nog steeds vast zit.’

De officier van justitie is heel stellig: dit is een poging tot doodslag. Wie iemand van een tramperron gooit of meetrekt in zijn val, aanvaardt bewust de kans dat de ander kan komen te overlijden. Ze zwaait met een uitspraak van de rechtbank in Den Haag in een vergelijkbare zaak. En ze onderstreept dat een getuige meneer B. heeft horen roepen: ‘Ik ga je op het spoor gooien!’ Dat er op dat moment geen sneltram of metro aankwam, zegt ze, is puur toeval. Ze eist achttien maanden cel waarvan zes voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarde dat meneer B. daarna wordt opgenomen in een kliniek.

De advocaat ziet het heel anders. Hij wil vrijspraak. ‘In welke mate kon mijn cliënt zich bewust zijn van zijn handelen? Ik hoor de officier zeggen dat hij zich er niet van heeft vergewist dat er geen tram of metro aankwam, maar hij wist op dat moment helemaal niet wat er gebeurde! Kun je dan zeggen dat hij bewust de kans heeft aanvaard dat hij de ander iets zou aandoen? Mijn cliënt en ik vinden van niet.’

Mocht de rechter toch vinden dat B. schuldig is, zegt de advocaat, dan is de gevangenis geen goed idee. ‘Wat is de toegevoegde waarde als hij in detentie zit? Dan is er de kans dat zijn toestand weer verslechtert! En meneer B. denkt dat hij met ambulante behandeling, met intensiever contact dan voorheen, weer in de maatschappij kan functioneren. Dat ging immers goed totdat zijn medicatie werd verminderd. Mijn cliënt wil zijn leven buiten de kliniek voortzetten.’

De rechter wendt zich tot de verdachte. ‘U heeft het laatste woord, wilt u nog iets zeggen?’

‘Ik heb geen rechten gestudeerd,’ zegt meneer B. ‘Maar ik hoop dat u tot een uitspraak komt die me terugbrengt bij mijn huis, bij mijn werk en bij mijn familie.’

Dat zit er niet in; niet meteen tenminste. Twee weken later spreekt de rechtbank meneer B. vrij van poging tot doodslag, omdat er geen metro in aantocht was en elke metro in die situatie op tijd had kunnen remmen. De rechtbank veroordeelt hem wel voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en mishandeling. De straf: zes maanden cel waarvan twee voorwaardelijk. Bovendien moet meneer B. meteen drie maanden verplicht worden opgenomen in een kliniek, met ambulante behandeling daarna.

Lars Kuipers

 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor onze nieuwsbrief!