Ter zitting

Maatwerk

Elektrische rolstoel of scootmobiel? De gemeente Zwolle doet aan standaardoplossingen, maar de cliënt wil maatwerk.  

Kijk eens hoe makkelijk mevrouw V. de rechtbank in Zwolle binnenkomt. Haar elektrische rolstoel, een opvouwbare Zinger, rijdt zo door de metaaldetector bij de ingang, en een invalidenlift kan zo klein niet zijn of hij past erin.

Mevrouw V. heeft multiple sclerose, en haar rolstoel is de inzet in een zaak tegen de gemeente Zwolle. Jarenlang reed ze in een gewone rolstoel die haar man kon duwen, maar die situatie veranderde toen hij in 2013 een hartaanval en een herseninfarct kreeg. Na een tijd lang revalideren, bleek dat meneer V. zijn echtgenote niet langer kon voortduwen en om haar bewegingsvrijheid te behouden, ging ze op zoek naar een alternatief.

De gemeente Zwolle – verantwoordelijk voor de Wet maatschappelijke ondersteuning – ziet het probleem. Volgens de gemeente heeft mevrouw V. daarom recht op wat in de regelgeving heet een ‘maatwerkvoorziening’: een scootmobiel, een gewone rolstoel en een abonnement op de taxibus. Maar mevrouw V. heeft een andere maatwerkvoorziening op het oog: haar eigen Zinger, zelf gekocht nadat de gemeente haar eerste verzoek om een elektrisch aangedreven rolstoel had afgewezen. Kosten: 2.500 euro, nog niet de helft van de voorziening die de gemeente in de aanbieding heeft. Ze is er hartstikke blij mee; ze kan hem zelf zonder al te veel moeite in haar auto tillen en ze kan er overal mee naartoe; ze is er zelfs al mee naar Dubai gereisd.

De gemeente ziet de Zinger niet zitten. Nadat mevrouw V. in bezwaar was gegaan tegen de eerste afwijzing kwam een ergotherapeutisch medewerker van een extern bureau de rolstoel bekijken. Opnieuw volgde een afwijzing. Niet duurzaam genoeg, niet snel genoeg, te kleine actieradius. Na een hoorzitting bij de bezwarencommissie en een beroep tegen de tweede afwijzing – bijna twee jaar na het eerste contact met de gemeente – zit mevrouw V. nu bij de bestuursrechter in Zwolle. Haar wens: een persoonsgebonden budget ter hoogte van de aanschafprijs van haar rolstoel.

De rechter richt zich tot de vertegenwoordiger van de gemeente Zwolle. ‘In het advies van het externe bureau,’ zegt hij, ‘wordt iets gezegd over de verhouding tussen de energetische beperking van mevrouw V. en de kracht die nodig zou zijn om een rolstoel van 17,5 kilo te tillen en in een auto te plaatsen. Nou doe ik arbeidsongeschiktheidszaken sinds 1992, en ik heb geleerd dat dit twee heel verschillende dingen zijn. Kunt u me uitleggen waar dat verband zit? Want dat zie ik niet.’

‘Nee,’ zegt de mevrouw van de gemeente. ‘Dat heb ik niet nagevraagd.’

‘Is dit een medisch advies van een arts?’ vraagt de rechter.

‘Daar ga ik van uit.’

‘Daar gaat u van uit.’

‘Er werken artsen bij dit bureau.’

‘Uit niets,’ zegt de rechter, ‘blijkt dat een arts mevrouw V. heeft onderzocht.’

‘Dat klopt,’ geeft de mevrouw van de gemeente toe.

‘Vindt u dat niet een beetje gek?’ vraagt de rechter. ‘Dat u zich beroept op een advies van een arts die mevrouw V. nooit heeft gezien? De ergotherapeutisch medewerker is geen arts. U beroept zich dus op een advies van een leek die heeft gesproken met iemand die vermoedelijk een arts is. U begrijpt dat er ernstige vragen kunnen worden gesteld bij de vraag of u zich ervan hebt vergewist dat zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er een verband is tussen de waarnemingen en de conclusies. Het lijkt mij dat hier schakels ontbreken.’

‘Ja,’ zegt de mevrouw van de gemeente – het klinkt bijna bedeesd.

‘In het advies staan ook aannames over de levensduur van de rolstoel van mevrouw V.,’ zegt de rechter, ‘maar er staat nergens in wat de levensduur volgens de fabrikant is. Er staat in dat zo’n stoel tien tot twaalf kilometer per uur zou moeten gaan, maar ik lees nergens wat de snelheid van de stoel van mevrouw V. is. Het advies zegt dat de actieradius dertien kilometer is en dat dat onvoldoende zou zijn, maar mevrouw V. zegt dat ze de stoel meeneemt in de auto. Als ze de auto parkeert, kan ze dus zes kilometer rijden en weer terug. Dan kun je toch behoorlijk lang winkelen. Mij bekruipt het gevoel dat de gemeente vrij klakkeloos heeft overgenomen wat er in de rapportjes staat zonder zich af te vragen of u het hiermee zou redden.’ Hij zegt het met een minzame glimlach.

Na het sloop- en breekwerk van de rechter heeft de raadsvrouw van mevrouw V. weinig meer te doen. ‘Het standpunt van de gemeente in tweede aanleg berust niet op een volledige heroverweging. Wat steekt, is dat er geen arts te pas is gekomen aan het advies waarop de gemeente zich baseert. Er is naar het resultaat toe geredeneerd dat de rolstoel er niet moest komen, en daarbij zijn medische argumenten gebruikt. Dat er de noodzaak is voor een maatwerkvoorziening staat niet ter discussie. Maar die moet wel aansluiten bij de persoon in kwestie. Mevrouw V. heeft heel duidelijk aangegeven wat haar behoefte is. Met een scootmobiel kan ze bepaalde plekken niet bereiken, en bovendien is dat niet de goedkoopste voorziening. De stoel die ze nu heeft, schept voor haar de beste mogelijkheden – ze kon ook gemakkelijk hierheen komen.’

De rechter wendt zich tot de vertegenwoordiger van de gemeente. ‘Hoe zou u het liefst willen dat we verder gaan? Ik kan uitspraak doen. Maar als u zegt dat u misschien iets te gemakkelijk met deze zaak bent omgegaan, kan ik u ook de gelegenheid geven om iets te herstellen.’

‘Ik wil graag iets doen met die tekortkomingen,’ zegt ze. ‘Maar als we zeggen dat we ons niet op dit advies hadden mogen verlaten, hebben we een nieuw advies nodig.’

‘Ik zal een tussenuitspraak doen,’ zegt de rechter. ‘Ik zal proberen het kort en concreet te houden. En na het nieuwe onderzoek zal ik kijken of de gebreken zijn hersteld.’

Zo op het eerste gezicht lijkt het een gewonnen zaak voor mevrouw V. Maar wat blijft hangen, is de vraag die meneer V. in de gang stelt. ‘Wat zijn we vandaag nou eigenlijk opgeschoten?’

Lars Peter Kuipers

(Een kortere versie van dit artikel is te lezen in het novembernummer van het Advocatenblad) 

 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor onze nieuwsbrief!